Hoe is de werkgroep ontstaan?
 
 
 
 

 

 

Werkgroepleden | Werkzaamheden | Verspreiding Kerkuil | Toekomst

Werkgroepleden klimmen naar een nestkast

De Kerkuil is eigenlijk van oorsprong een soort die voorkomt in het oude cultuurlandschap. Ze zoeken vooral de plekken op rond boerderijen, kerken en gebieden met veel ruigtestroken, singels en houtwallen. Een nieuw landschap zoals de Flevopolders leende zich niet zo goed voor de vestiging van deze soort. Weliswaar was er voldoende voedsel voorhanden in de vorm van muizen, het ontbrak aan broedgelegenheid. Vanaf 1975 heeft de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders (RIJP) in Oostelijk en Zuidelijk Flevoland in verpachte bedrijven en in de schuren van de RIJP, kerkuilkasten laten inbouwen. Na een strenge winter in 1979 besloten een aantal vrijwilligers i.s.m. de Vogelbescherming Nederland meerdere kasten te plaatsen. Al snel bleek dat de Kerkuil graag gebruik maakt van deze nestgelegenheid. Sinds de plaatsing van deze kasten worden zij door vrijwilligers gecontroleerd. In Oostelijk Flevoland zijn 2 personen hierin aktief namelijk Lykele Zwanenburg ( sinds 1980) en Hans Docter (sinds 1993). Samen controleren zij ongeveer 100 kasten per jaar. Elke kast wordt jaarlijks bezocht en gecontroleerd. Zijn er jongen aanwezig, dan worden deze gewogen, gemeten en geringd, om zodoende meer te weten te komen over de populatie-ontwikkeling en verspreiding.

Werkzaamheden

Elk jaar wanneer de Kerkuil begint te broeden gaan de vrijwilligers op pad om de nestkasten te controleren. Dit is meestal in de maanden mei /juni. Vaak hangen de kasten hoog in een schuur dus moet met een ladder of een vorkheftruck naar de kast worden geklommen. Uitwerpselen of braakballen onder de kast geven al vaak aan of deze bezet is door een Kerkuil. Soms wordt de kast door een andere vogel gebruikt zoals bijvoorbeeld een duif.

duiveneieren

Als de jongen groot genoeg zijn worden ze geringd. De werkgroep heeft contact met een vrijwilliger die een speciale vergunning heeft om de Kerkuil te ringen. Daarna noteerd de ringer een aantal gegevens over de vleugellengte, het geslacht en het gewicht. Alle gegevens worden opgeschreven en aan het einde van het seizoen opgestuurd naar SOVON/Vogeltrekstation en de Stichting Kerkuilenwerkgroep Nederland. In het najaar worden de kasten voor het komende seizoen weer schoongemaakt en gevuld met nieuw nestmateriaal.

Ontwikkeling van de Kerkuil in Oostelijk Flevoland

noteren van gegevensNa vele jaren van bescherming van de Kerkuil in Oostelijk Flevoland kan een tendens uit de gegevens worden gehaald. De Kerkuilen in deze polder geven de voorkeur aan veeteeltbedrijven. Deze bedrijven bieden waarschijnlijk vanwege hun bedrijfsvoering de beste jachtgebieden voor de Kerkuil aan. Bij slecht weer ( denk aan hevige wind, regen of sneeuw in het voorjaar) kan de Kerkuil voldoende prooi ( muizen) in en rond de schuren en gebouwen vinden. Ook de ligging van deze veeteeltbedrijven is van belang. Deze zijn voor een groot deel gesitueerd aan de buitenrand van Oostelijk Flevoland. Zij grenzen veelal aan bosgebieden en ruigtestroken. Uit de inventarisaties blijkt dat de Kerkuil op deze locaties vaak ook honkvaster zijn ten opzichte van de broedgevallen bij akkerbouwbedrijven. Kennelijk is op een veeteeltbedrijf een constanter aanbod van prooidieren. In jaren dat er minder muizen zijn ( zogenaamde daljaren), komen de Kerkuilen niet of nauwelijks tot broeden op de akkerbouwbedrijven terwijl bij de veeteelt bedrijven dit nog wel gebeurt. Rond de akkerbouwbedrijven bestaat het jachtgebied voornamelijk uit singels rondom het boerenerf, brede wegbermen en her en der ruigtestroken of overhoeken.

Toekomst

De Kerkuil blijft een kwetsbare soort, die sterk afhankelijk is van eigenaren en gebruikers van boerderijen en andere gebouwen. Deze uil zal zich zonder hulp van vrijwilligers moeilijk kunnen handhaven vooral in het open polderlandschap van Flevoland waar de broedgelegenheid minimaal is. Ook heeft de Kerkuil te maken met een aantal bedreigingen, zoals weergesteldheid, voedselaanbod, verkeer, vergiftiging en aantasting van het jachtgebied. In de akkerbouwgebieden zou de ontwikkeling van ruigtestroken en het akkerrandenbeheer een extra stimulans betekenen voor het voortbestaan van de Kerkuil in Flevoland. Deze stroken vormen een prachtig jachtgebied.

 

   
       
     
Copyright © Kerkuilenwerkgroep Oostelijk Flevoland 2007