Kenmerken | Zintuigen | Leefwijze | Voortplanting | Voedsel
Kenmerken
De latijnse naam voor de Kerkuil is Tyto alba. Er kunnen 2 soorten worden onderscheiden. De lichte vorm (Tyto alba alba) en de meest voorkomende donkere vorm ( Tyto alba guttata). De Kerkuil heeft een witte borst en is goudbruin-geel van boven. Dus de vogel is licht van onderen en donker van boven. Het onderscheid tussen de lichte en de donkere soort is vooral aan de borstkleur te zien. Een Kerkuil wordt ongeveer 34 cm groot. De spanwijdte van de vleugels is bijna een meter. De Kerkuil is s'nachts op pad om voedsel te zoeken. Hiervoor heeft hij bijzonder goed ontwikkelde zintuigen.
Zintuigen
De Kerkuil heeft grote ogen in een plat gezicht. De ogen zijn erg opvallend. Het zijn 2 zwarte ronde ogen die precies de afstand in het donker kunnen zien om hun prooi te bespringen. De korte haaksnavel wordt door de veren vaak gedeeltelijk verborgen. De oren zitten aan de zijkant van het hoofd onder het verenkleed. Het oor is een kleine opening aan de rand van de kop. Het linkeroor ligt wat hoger dan het rechteroor. Door deze asymmetrie komt het geluid een fractie van een seconde eerder in het ene oor dan in het andere. Met zijn oren kan de Kerkuil een driedimensionale geluidskaart van zijn omgeving maken. De Kerkuil kan zijn kop heel ver naar links en rechts draaien ( 270 °) terwijl het lichaam roerloos op zijn plaats blijft.
Leefwijze
De Kerkuil nestelt op donkere plaatsen vooral in schuren, kerken en andere gebouwen. De omgeving is vaak bouwland en andere open vaak droge gebieden met verspreide bomen waar ze kunnen jagen op kleine knaagdieren. De uil kan geruisloos vliegen. Het lichaam is smal, en bedekt met lichte veren en weegt slechts 300-400 gram. De krachtige poten met scherpe klauwen zijn uitstekende moordwapens.
De Kerkuil is een liefhebber van halfopen landschap. De uil jaagt in het open veld, het liefst daar waar gras en bouwland worden afgewisseld met kruidenrijke akkerranden, (hout)wallen, heggen of bosjes. Ook ruig begroeide, slechtonderhouden graslanden, ruige grasstroken en wegbermen worden als jachtgebied gebruikt. Volwassen Kerkuilen blijven gewoonlijk het gehele jaar in de naaste omgeving van de broedplaats. Ze zijn dikwijls trouw aan elkaar en aan een bepaalde nestplaats.
Voortplanting
Als in februari de dagen merkbaar lengen en de temperatuur wat aangenamer wordt beginnen de Kerkuilen elkaar het hof te maken. Het weer en de muizenstand zijn bepalend voor de aanvang van broeden van het Kerkuilpaar. Meestal worden de eieren in april of mei gelegd. In voedselrijke perioden kunnen ze meerdere broedsels grootbrengen. Zelfs tot in november. De eieren zijn ovaal en dofwit. Het vrouwtje legt met tussenpozen van 2 tot 4 dagen haar eieren. Daardoor komen de jongen ook met tussenpozen uit het ei. Het mannetje voorziet de vrouw van voldoende muizen in de broedperiode. Na ongeveer 4 weken kunnen de eieren uitkomen. De jongen zijn de eerste paar weken bedekt met donshaar. Pas rond de zesde week wordt het dons geleidelijk vervangen door veren. Als ze ongeveer acht weken zijn kunnen ze vliegen.
Voedsel
Het voedselaanbod bepaald de grootte van het jachtgebied. Bij een rijke muizenstand hebben Kerkuilen voldoende aan een klein jachtgebied ( zo'n 800-1500 meter vanuit de broedplaats). Is deze situatie anders dan wordt het jachtgebied verlegd naar een veel groter terrein. Wat de Kerkuil eet is heel goed onderzocht. Dat kan zo makkelijk omdat de Kerkuil braakballen achter laat. Door het uitpluizen van de resten van het eten van de Kerkuil weten we nu dat de veldmuis de favoriete prooi van de Kerkuil is. Bij afwezigheid van de veldmuis zijn andere muizensoorten een alternatief ( bosspitsmuis, huisspitsmuis, veldsspitsmuis, mol). Is de muizenstand minimaal dan staan ook wel eens kleine vogelsoorten op het menu ( mus, spreeuw).