Oostelijk Flevoland is één van de polders die is drooggelegd in het voormalige Zuiderzeegebied. Na de Noordoostpolder werd door de dienst der Zuiderzeewerken, dijken aangebracht om een tweede polder in te richten. Dit werd Oostelijk Flevoland. In 1957 viel deze polder droog.
Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders
Voor de inrichting van de polder werd een speciale organisatie opgericht "de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders" (RIJP). Alles moest vanaf het begin worden uitgedacht, berekent en uitgevoerd. Deze dienst had een wetenschappelijke afdeling met een aparte sectie natuur. Vanuit deze afdeling is door dhr.van Elburg veel werk verzet om broedgelegenheid voor diverse vogels in de nieuwe flevopolder te creëeren. In een kale, jonge polder waar nog weinig begroeiing en bebouwing was, konden vogels nog moeilijk een nest bouwen. Hij stelde voor om in verpachte schuren of bedrijfsschuren van de RIJP speciale kerkuilkasten te plaatsen. Vanaf 1975 is de RIJP hiermee begonnen. De controle en inventarisatie van de kerkuilkasten werd door dhr.van Elburg en dhr.L.Zwanenburg (Lykele) uitgevoerd. Dhr.L.Zwanenburg was in die tijd werkzaam bij de RIJP, sectie natuurterreinen in Flevoland. De kerkuilkasten zijn uiteindelijk niet alleen binnen maar ook wel buiten de gebouwen aangebracht. In de periode 1975-1977 zijn door hen 23 kerkuilkasten op diverse plekken in Oostelijk Flevoland geplaatst. In 1980 kwam er nog 1 kerkuilkast bij. In deze periode zijn geen kerkuilen in de kasten waargenomen totdat in 1980 de eerste kerkuilen begonnen te broeden. Vooral de kasten die op veeteeltbedrijven waren geplaatst, waren favoriete broedplaatsen van de Kerkuil. De afwisseling van vegetatie, zoals boswallen, singels en ruigtestroken zijn belangrijke factoren voor het leefgebied van de Kerkuil.
Natuurbescherming
In 1983 heeft de RIJP zich teruggetrokken uit de beheersgebieden in Oostelijk Flevoland. Deze gebieden werden overgedragen aan particulieren ( landbouwers) en aan de natuurbeherende organisaties. Dhr.L.Zwanenburg heeft als medewerker van Staatsbosbeheer, na 1983 de kasten in het beheergebied Harderbos en de kasten bij de diverse pachters gecontroleerd. De andere kasten, die niet in zijn rayon lagen, werden door medewerkers van Vogelbescherming gecontroleerd. Vogelbescherming Nederland had namelijk voor de Kerkuil een soortbeschermingsplan opgesteld. Het streven was om in het jaar 2000 ook 2000 broedparen van de Kerkuil in Nederland weer te hebben. Dit is uiteindelijk ook gelukt. Via het soortenbeschermingsbeleid zette Vogelbescherming een programma op waarin Nederland in regio's werd verdeeld. Elke regio kreeg een coordinator. De coordinator had een aantal vrijwilligers die zorgden voor het ophangen en het controleren van de kerkuilkasten. In 2000 heeft de Vogelbescherming de coordinatie overgedragen aan de Kerkuilenwerkgroep Nederland. Daarna zijn Dhr.L.Zwanenburg en Dhr.H.Docter ( Hans) gewoon doorgegaan met het vrijwilligerswerk en hebben alle kasten in hun routes meegenomen.

Landschapsbeheer Flevoland
Landschapsbeheer Flevoland is aktief in de bescherming en het verder ontwikkelen van kleine landschapselementen in Flevoland die niet in het beheer zijn van een natuurbeschermingorganisatie. Ook hebben ze een rol in de bescherming van bepaalde planten -en diersoorten. Zij hebben nu de coördinatie en het overzicht van de situatie van de Kerkuilen in Flevoland. Ze houden regelmatig contact met de vrijwilligers die de kerkuilkasten controleren. Soms kunnen zij ervoor zorgen dat de vrijwilligers extra financiele ondersteuning krijgen voor dit werk. Zo zijn bijvoorbeeld een keer materialen aangeschaft voor het maken van kerkuilkasten en heeft de werkgroep enkele gereedschappen kunnen kopen.